Ga naar inhoud

De API's

Er zijn vier API’s. Welke je nodig hebt, hangt af van wat je bouwt.

  • Je app praat alleen met de gateway van je eigen data plane, met de sleutel van de app. Hoe dat werkt: Een app koppelen.
  • De data plane van een datahouder roept de backend-API van het eigen systeem aan, met de sleutel die bij de koppeling is ingesteld. Hoe dat werkt: Een systeem koppelen.
  • Jij, je scripts en bl gebruiken de beheer-API van je eigen connector, met een API-sleutel of na bl login. De rollen admin, operator en viewer bepalen wat mag; dat staat per operatie bij Beveiliging.
  • De protocollen tussen connectors (Dataspace Protocol, Decentralized Claims Protocol, Data Plane Signaling) staan ook in de beschrijving van de connector, gemarkeerd als protocol. Die roep je niet zelf aan; dat doen de connectors onderling.

Deze naslag is gegenereerd uit de code van de connector, de data plane en de Trust Authority (OpenAPI 3.1, in de repository onder docs/api/). Tests bewaken dat:

  • elke route die de diensten echt aanbieden in de beschrijving staat, of bewust is uitgezonderd met een reden, en andersom;
  • de beschrijving gelijk is aan wat de code genereert;
  • de data plane alleen paden aanroept die in de backend-API staan, en de gesimuleerde backend ze allemaal implementeert.

De beschrijvingen van de afzonderlijke operaties zijn in het Engels, zoals gebruikelijk bij API’s. Elke operatie van de beheer-API heeft ook een x-cli-veld met het bl-commando dat erbij hoort.